Interview met professor dr. Philippe Gevaert, allergieexpert en coördinator van het Allergienetwerk van het UZ Gent. (deel 1)

Hij is tevens verbonden aan de Universiteit in Gent als hoofddocent neus, keel en oorheelkunde binnen de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen.
U bent coauteur van het boek ‘De ALLERGIE Survivalgids’ (samen met Nico De
Braeckeleer , 2011, Abimo Uitgeverij ), een ludiek opgevat hulpboek, gericht naar
een specifieke doelgroep: 8 tot 14 jarigen.
Wat was de aanleiding om dit boek te maken?

Ik heb het boek, samen met Nico De Braeckeleer en alle mensen van het Allergienetwerk geschreven omdat ik denk dat heel veel kinderen allergie hebben en daar veel problemen mee hebben. Het is een toenemende problematiek. Ook voedselallergie neemt toe.
Het boek is bedoeld voor kinderen maar volwassenen kunnen er ook heel wat relevante
tips uithalen. Per hoofdstuk bespreken we een type allergie: allergische rinitis, astma, eczeem, voedselallergie. Vaak zijn die ook overlappend. Een voorbeeld: iemand met allergische rinitis heeft soms ook astma en/ of eczeem.
Tevens hebben we geprobeerd een wetenschappelijk relevant boek te brengen. Dankzij
de huidige kennis hebben we een aantal mythes kunnen ontkrachten of juist kunnen
bevestigen; wat helpt en wat helpt niet? Bijvoorbeeld: het vermijden van allergenen; 40
jaar geleden was er geen allergiemedicatie en een kind met graspollenallergie moest
tijdens het graspollenseizoen gewoon binnen blijven. In deze tijd is dat niet meer aan de orde; mits een aangepaste medicatie kan een kind met graspollenallergie toch buiten
spelen in het graspollenseizoen. Bij voedselallergie is het complexer: daar moet men de
allergenen vermijden.
De bedoeling is dat iedereen met allergie zo comfortabel mogelijk kan leven en bij de
meesten lukt dat. Al zijn er natuurlijk uitzonderingen.

U bent professor dr. neus, keel, oorheelkunde. Waarom bent u zich gaan
specialiseren in de allergieproblematiek?

Als neus‐, keel‐ en oorarts, ben ik veel geconfronteerd met allergie. Allergische rinitis ( in de volksmond: hooikoorts) is zeer prevalent. In België zitten we aan 30 % van de bevolking, dat is 1 op 3 en we zien dat het sterk toegenomen is. Als we gaan kijken naar de allergietesten, de huidpriktesten die gedaan worden in Vlaanderen, stellen we vast dat meer dan 40 % van die testen door neus‐, keel‐, oorartsen worden gedaan. Het lijkt misschien niet evident maar wij zien veel allergie, en niet alleen in de neus; er zijn bijvoorbeeld veel patiënten met een allergische rinitis tegen berkenpollen waarvan 60 % ook een oraal allergiesyndroom heeft, dat zijn tintelingen in /rond de mond of in de keel bij het eten van een appel, hazelnoten,…ongeveer 7 % van de bevolking heeft dit.
Bovendien heb ik gedoctoreerd in het veld en ben ik geboeid geraakt door deze complexe ziekte. Het is nog niet opgelost en als wetenschapper blijf je dan zoeken en je inzetten.

Allergie is een systemische, multiorgaan ziekte met verschillende gezichten en de patiënt als individu heeft vaak veelvuldige klachten. Daarom werd eind 2006 het interdisciplinaire Allergienetwerk UZ Gent opgericht. We zijn nu 5 jaar later. Zijn er bepaalde constataties?
In België bestaat de discipline allergologie niet echt; het is nog geen erkende specialiteit en we staan ook minder ver in het goed aanpakken van allergie in vergelijking met onze buurlanden.
We zijn met Allergienetwerk UZ Gent gestart vanuit een noodzaak, want allergie neemt
spectaculair toe, soms in complexere vormen. Hier hebben we een multidisciplinaire
aanpak waarbij duidelijk is wie wat doet en met een centrale allergieverpleegkundige
met een centraal nummer( 09 332 67 08). We komen regelmatig samen, doen sommige
consultaties samen, bvb ik doe consultaties met longartsen, de dermatoloog doet
consultaties met pediaters,… we doen er alles aan om zo efficiënt en goed mogelijk de
patiënt te helpen. Vandaar het centrale nummer en de allergieverpleegkundige die de
patiënt naar de juiste dokter doorverwijst.
Alle student‐artsen die hier een opleiding volgen, zien wat wij doen. Wanneer zij
afstuderen als neus‐, keel‐,oorarts, dermatoloog, longarts, pediater,….gaan ze vaak, in
het ziekenhuis waar zij beginnen te werken gelijkaardige initiatieven gaan promoten.
Dat is positief maar het is uiteraard niet de bedoeling dat de 4 universitaire
ziekenhuizen in Vlaanderen zich uitsluitend gaan specialiseren in een pathologie die
30 % van de bevolking treft. Maar ik denk wel dat pneumologen, dermatologen, neus‐,
keel‐, oorartsen, pediaters,… moeten gesensibiliseerd worden om die allergiepathologie
te zien en niet alleen denken dat het om iets banaal gaat , maar ook weten wat ze moeten doen bij de complexere vormen van allergie.

Ongeveer 30% van de Belgische bevolking is tegenwoordig allergisch.
Allergie is in opmars. Zijn we binnen 20 jaar allemaal allergisch?

Ja, dat is dé vraag.
Als we kijken naar onze eigen studie, gedaan op de jaarbeurs in Gent in 2008 …, waar
2320 mensen aan deelnamen, dan zien we dat inderdaad 30% een allergie heeft maar
wat opmerkelijk is, is dat we bij mensen tussen de 20 en 40 jaar al aan 45 % zitten. Als die groep ouder wordt dan gaan we globaal wel naar 45%. Of die toename ooit zal
stoppen kunnen we moeilijk voorspellen. Maar ik vermoed van wel; ik denk dat er een
relatie is tussen, enerzijds aanleg en anderzijds omgevingsomstandigheden en niet
iedereen gaat persé een allergie ontwikkelen, dus ik vermoed dat het ergens zal stoppen.
Bij 45%, bij 50%, bij 60%? Niemand kan daar nu een zinnig antwoord op geven maar
naar 45 % gaan we zeker.

Hebt u een verklaring voor de enorme toename van allergie?
De meest gangbare hypothese is nog steeds de hygiënehypothese. Onze algemene globale
propere levensstijl, gaande van propere voeding, behuizing, minder infecties van allerlei aard zoals worminfecties, darminfecties,… Die propere levensstijl zou grosso modo bijdragen aan méér allergie.
Maar het is niet zo eenvoudig; we kunnen niet zeggen: we gaan wat meer infecties
doormaken en het zal opgelost zijn. Neen dus.
De levensverwachting is, in het algemeen, spectaculair gestegen. De kindersterfte is
enorm afgenomen.
We willen niet terug naar de periode van voordien. De optie is niet: vuiler gaan leven.
Bovendien werkt het ook niet zo. Waar wordt er wél aan gedacht? Gezonde bacteriën
gaan eten, de zogenaamde probiotica, maar echt efficiënt blijkt dat toch niet te zijn.
Voor de Tweede Wereldoorlog was ongeveer 5% van de bevolking allergisch en nu 30%.
De genetische factoren zijn niet zoveel veranderd maar de omgevingsfactoren zijn
drastisch veranderd en dat heeft waarschijnlijk geleid tot die explosie van allergie.
Er zijn een aantal studies die bijvoorbeeld in het leger gebeurd zijn. Een van die studies was bij rekruten , 17 à 18 jarigen. Die werden allemaal op dezelfde manier getest door één bepaalde en zelfde dokter. Heel zijn carrière heeft hij steeds dezelfde testen gedaan.
En die heeft hij dan vergeleken: hij was begonnen in de jaren ‘60 en is nu gestopt en hij zag dat allergie spectaculair toegenomen was. Overal waar er verwestering is, is er een stijging van allergie.
De hygiënehypothese komt hiervandaan: toen in 1990 de twee Duitslanden werden herenigd, ontdekte men iets merkwaardigs. In Leipzig, voormalig Oost‐Duitsland kwam
minder allergie voor dan uit de regio Beieren in de voormalige Bondsrepubliek.
Men dacht dat kinderen uit Leipzig, in zo’n vervuilde omgeving, méér allergie zouden
hebben dan kinderen die in de beste omstandigheden opgroeiden. En het bleek nu net
het tegenovergestelde. Wat was één van de grootste verschillen bij die kinderen? Dat in
Oost‐Duitsland alle moeders verplicht waren om te gaan werken en vrij vroeg hun
kinderen in grote crèches staken. We zien dat hier trouwens ook: kinderen die naar de
crèche gaan, die krijgen meer snotneuzen en andere infecties, maar hebben toch minder
kans op allergie. Grosso modo hebben de meeste kinderen baat bij een ‘vuile’ crèche
waar ze infecties krijgen van andere kinderen. Maar er is ook een groep kinderen die
daar geen baat bij heeft, dus naar bevolkingsadvies kunnen we niet zeggen: steek alle
kinderen in een crèche waar ze infecties gaan opdoen want het geldt blijkbaar niet voor
iedereen.
Eveneens doen kinderen van landbouwers het ook beter, maar niet àlle kinderen van
landbouwers, niet die van de ‘moderne’ landbouwers met een ‘propere’ boerderij met
daarnaast een villa, neen, eerder boerderijen waar de koeien en de mensen dicht bij
elkaar leven. Maar vooral –en dat is heel belangrijk ‐ omdat die kinderen elke dag verse
melk van de koe drinken, waarschijnlijk een beetje besmet met micro‐organismen,
bacteriën …, geen propere melk dus. En daar komt dat idee van die probiotica vandaan.

Hoe komt het dat mensen op latere leeftijd allergisch worden. Er is dan toch geen sprake van aangeboren aanleg?
Ik denk dat mensen die vroeger allergisch waren, dat dàt duidelijk in de genen zat. Maar het is waarschijnlijk zo dat er een beetje allergie in veel mensen hun genen zit en een aantal omstandigheden samen geven aanleiding tot het uitbreken van allergie. Als je tijdens je jeugd zeer hygiënisch geleefd hebt en op een bepaald moment met iets
geconfronteerd word, misschien een infectie gecombineerd met een bepaald allergeen,
dan kan de reactie een klein beetje anders zijn dan moest je vroeger veel infecties
doorgemaakt hebben . Het is een gissing. Er wordt trouwens gezegd dat het hebben van
allergie misschien wel een evolutionair voordeel zou kunnen zijn; dat bijvoorbeeld
mensen met allergie zich beter zouden kunnen verdedigen tegen hepatitis C. Er zijn
aanwijzigingen, maar het is een controversiële stelling. 100 jaren geleden was de wereld volledig anders en had je misschien wel een voordeel dat je afweersysteem een beetje te sterk ging reageren. Nu we in een quasi steriele wereld leven is dat voordeel geen voordeel meer, integendeel; het systeem ontspoort en je krijgt allergie. Dus misschien waren de mensen die nu allergie hebben diegenen die vroeger konden overleven. Het is net dàt evenwicht van ons immuunsysteem dat tegenwoordig wat ontregeld is door onze veranderde levensstijl en dan is het logisch dat mensen zonder allergische ouders ook allergie kunnen ontwikkelen omdat het waarschijnlijk inherent is aan ons afweersysteem; het zit er ingebakken.
Allergie kan dus op alle leeftijden opduiken. Heel veel mensen die als kind niet allergisch waren krijgen soms op volwassen leeftijd toch plots een allergie. Mogelijks ook een zware allergie. Tussen de 0 en 40 jaar kan je allergisch worden, daarna is de kans dat je allergisch wordt iets kleiner. Als de ouders allergisch zijn, is de kans op allergie uiteraard groter.

Allergie kan iemands leven ernstig beïnvloeden en bepalen. Er is met andere
woorden een psychologische kant aan de ziekte die niet mag worden onderschat.
Biedt Allergienetwerk UZ Gent ook aandacht aan dit aspect?

De invloed op het leven? Ja, absoluut.
Kinderen met graspollenallergie bijvoorbeeld hebben in het graspollenseizoen ( meijuni‐
juli) duidelijk minder goede schoolresultaten tov hun capaciteiten dan andere kinderen. Het heeft een invloed op de schoolresultaten, de studiekeuze en de rest van
hun leven.
De invloed op de levenskwaliteit? Ja, absoluut.
Het is aangetoond dat zelfs de zogezegde ‘banalere’ allergieën zoals allergische rinitis een enorme impact hebben op de levenskwaliteit; dat is zeker niet zo banaal. Je loopt de hele tijd te snotteren en dat duurt maanden aan een stuk. Waardoor er een daling van levenskwaliteit is en dit voor vele jaren. Het voordeel is dat we nu, bij bepaalde allergieën en zeker bij de allergische rinitis, we meer en meer teruggaan naar vaccinatie.
Bij voedselallergie is het complexer en het enige wat je kan doen is het vermijden van de allergenen en dat is natuurlijk ingrijpend. Bij de aankoop van voeding moet je plotseling opletten, de ingrediënten op de verpakkingen lezen, … soms is het niet duidelijk: dan staat er ‘kan sporen van noten bevatten’.
Met een voedselallergie op restaurant gaan is ook niet evident en mensen in de horeca
snappen niet altijd het probleem. Of je gaat naar een receptie, op een grote plateau
liggen allerlei toastjes door elkaar,…met vlees, vis,… .en dan eet je maar niks, uit
voorzorg, waarop mensen dan vragen waarom je niks eet en dan moet je je verhaal doen
hetgeen ook niet bepaald leuk is.
Als ik tegen een patiënt zeg: u hebt een voedselallergie en u moet die dingen gewoon
vermijden, wel, dan is dat niet zomaar ‘gewoon’; dat is je leven veranderen, dat vraagt
een serieuze aanpassing.
Mensen met allergie zijn vaak niet begrepen. Dat gevoel heb ik althans. De erkenning
onder de bevolking is er nog niet.
En ik denk dat we trouwens op dat gebied in België veel beter kunnen. Als je gaat kijken naar Nederland; daar zijn veel meer organisaties van patiëntenverenigingen. Die zijn goed uitgebouwd, die krijgen middelen. De omkadering in België kan dus veel beter.

Geef een reactie