Dubbelinterview met Prof. Em. Wim Stevens(UZA) en Katty Allaert (journaliste), auteurs van het boek ‘Allergie bij kinderen’ (Lannoo).

 

Waarallergiebijkinderenom dit boek?

Katty Allaert : Toen onze zoon geboren was merkten mijn man en ik vrij snel dat hij last had van velerlei klachten maar wat hij precies had wisten we niet . Tot het verdict viel: hij was zwaar allergisch. Ik ben dan op zoek gegaan naar informatie over allergie bij kinderen. En op een gegeven moment dacht ik: waarom schrijf ik zelf geen boek? Ik heb dan een mail gestuurd naar professor Stevens en 20 minuten later kreeg ik al een antwoord.
Wim Stevens : Er zijn dan meerdere gesprekken geweest en zo is het boek ontstaan.

Waarom zijn er tegenwoordig zoveel mensen allergisch?

Stevens : Het is zeker zo dat allergie de laatste jaren, of de laatste decennia meer aandacht heeft gekregen. Vroeger liepen er veel meer mensen met een snotneus rond waar niemand naar keek, maar dat is nu toch veranderd; sinds een twintigtal jaren zijn er aan de universiteiten diensten die zich specifiek met allergie bezighouden. De eerste , denk ik, was in Leuven met Eric Stevens. Hier in Antwerpen de tweede. Naar mijn weten bestaan er verder in ons land geen geïndividualiseerde diensten Allergie. Wel afdelingen waar men allergie in zijn geheel gaat benaderen; anders moet je naar de dermatoloog, de longspecialist, de neus- keel-, oorarts, de kinderarts,…

Wat opvalt is dat vooral de voedingsovergevoeligheid enorm is toegenomen. Toen ik 25 jaar geleden begon, was voedselallergie een zeldzaamheid. Nu is het eigenlijk de hoofdmoot van de patiënten die we zien. Dat is zeker een hele verandering. Het gaat vooral over gevoeligheid tegen plantaardige producten en waarschijnlijk is dat voor een deel te wijten aan het feit dat de overgevoeligheid aan boompollen sterk is toegenomen.
Ik heb een grafiekenschema meegebracht. Deze is opgedeeld in drie periodeclusters: de periode 1975-1979, de periode 1992-1995 en de periode 2003-2008. Als we kijken naar het verloop van allergie, dan constateren we dat bij patiënten die we in die periodes hebben gezien, de huisstofmijtallergie in frequentie niet veranderd is; het vormt nog altijd de hoofdbrok van de allergische patiënten; namelijk rond de 70%. De graspollenallergie is ook weinig veranderd, dat zit boven de 60% en de onkruidpollenallergie is lichtjes gestegen van 17 naar 33%.
Maar waar we enorme sprongen zien, is bij de pollen van berken, die in België en Nederland de hoofdmoot zijn van de overgevoeligheid aan de bomen en die is dus meer dan verdrievoudigd: van 13 % naar 64 % !

Als je weet dat ongeveer 50% van de mensen die boompollen overgevoelig zijn, ook een voedselallergie hebben dan begrijp je dat, mét de toename van die berkenpollen overgevoeligheid, ook de voedselovergevoeligheid sterk zal zijn toegenomen.
En waarom is die berkenpollen overgevoeligheid dan zo toegenomen?
Dat is helaas een vraag waar geen gekend antwoord op is. Mogelijk is een verklaring – maar dat is moeilijk te bewijzen – dat het toch iets te maken heeft met de industriële vervuiling. Een boom die, laat ons zeggen, in verdrukking komt door toxische gassen, gaat proberen om zijn voortplanting zo goed mogelijk verder te zetten. De pollen zijn nu juist de mannelijke vruchtbeginsels die de stampers, de vrouwelijke vruchtbeginsels, gaan bevruchten. Dit is een mogelijke verklaring maar of het juist is, weten we niet.

Kunnen we die berkenbomen dan niet omkappen?

Stevens : Neen, zeker niet. Ik heb de berk genomen als voorbeeld van de meest frequent voorkomende overgevoeligheid in België, Nederland en het noorden van Europa- daar hebben ze praktisch alleen maar berken- maar wie berkenpollen overgevoelig is, is meestal ook gevoelig aan de els, de es, …dus met alleen die berken weg te doen haal je niks uit. Het heeft ook geen zin om een berk in die in je tuin staat, te verwijderen want die pollen worden kilometers ver en hoog door de lucht verspreid. Als er een berk voor je slaapkamerraam staat zou ik hem wel wegdoen.
Eén van de veronderstellingen is dus dat de pollen agressiever geworden zijn maar dat is niet bewezen. Wat we wèl weten is dat het aantal pollen dat wordt vrijgezet, een lichte stijging kent, in het verloop van 20 jaar. Als er meer mensen overgevoelig zijn dan ligt het aan de eventueel veranderde samenstelling. Dat is dus één van de theorieën. Dat de proteïnen of eiwitten ( want het zijn de eiwitten waar we overgevoelig aan zijn) in de pollen vermeerderd of explicieter zijn, maar dat is nogmaals een veronderstelling want een vergelijkende studie is er nooit geweest.

Hoe verklaart u kruisallergie?

Stevens : De eiwitten in de pollen –de mannelijke vruchtbeginsels- komen ook voor in de vruchten, en dat is logisch; net zoals een kind dat dikwijls lijkt op zijn ouders.
Dat is de reden van de kruisallergie. Die eiwitten zijn in het plantenrijk ook sterk bewaard en lijken heel goed op elkaar, zoals de eiwitten van verschillende vissen op elkaar lijken; is men allergisch aan 1 soort vis, dan heeft men veel kans allergisch te zijn aan andere soorten vissen.
En dat is de reden van de kruisallergie voor die pollen met groenten en fruit. Er zijn mensen die bijna geen enkel fruit of groente nog kunnen eten. Fruit is vooral met de berken geassocieerd en groenten is vooral met de onkruiden geassocieerd. Dat gaat dan van de appel naar de peer naar de perzik, kastanje en sommige mensen moeten extreem voorzichtig zijn en kunnen quasi niets meer eten zonder problemen of zelfs serieuze problemen te krijgen.
We hebben ook helaas kinderen die nauwelijks 1 of 2 jaar oud zijn, waarbij je je afvraagt: hoe kunnen ze zich op die leeftijd al allergisch gemaakt hebben want ze hebben het allergeen nog niet gegeten. We zien hier kinderen, jonger dan 1 jaar, die al overgevoelig zijn aan pinda’s terwijl de moeders hen nooit een pinda hebben gegeven.
Men neemt aan dat het via de moeder eventueel is overgegaan.

Professor Stevens , u heeft er een lange carrière opzitten. Zijn er specifieke gevallen of anekdotes die u bijgebleven zijn?

Stevens : Welja, helaas enkele droevige, van mensen die plots overleden zijn tengevolge van een voedselovergevoeligheid. Ik herinner mij nog een jongeman, een twintiger die hier op de raadpleging kwam met niet alleen een allergie maar ook een pseudo allergie. Dat laatste is eigenlijk een aandoening met dezelfde symptomen als allergie maar waarbij de oorzaak niet ligt in overgevoeligheid aan eiwitten en die zodus niet gepaard gaat met een echte IgE-gevormde allergie; er is geen immunologisch mechanisme . Vooral kleurstoffen, bewaarmiddelen,… geven pseudo allergie. Die jongeman kwam hier samen met zijn moeder en ging daarna een hamburger eten en is dan binnen de 30 minuten gestorven.

Een tweede dramatisch geval was een vrouw met een mastocytose. Het is een aandoening waarbij de hoeveelheid mastcellen abnormaal toeneemt. Helaas had ze ook nog eens een allergische aard en ze heeft ergens iets gegeten en ook binnen de 30 minuten was ze dood. Zoiets vergeet je nooit.

Anderzijds is me ook een grappige anekdote bijgebleven: sommige mensen denken dat ze werkelijk aan àlles allergisch zijn. Zo kwam er een dame op consultatie die zei dat ze allergisch was aan haar radio. Ik zei daarop: kom gerust terug met uw radio, dan kunnen we dat eens testen. Ze is nooit meer teruggekomen.

Mevrouw Allaert, op pagina 136 beschrijft u hoe één schooljuf op het visincident reageert met ongeloof ; het is volgens haar een ‘verzinsel van de moderne tijd ’ . Dit vond ik schokkend, gezien het mogelijke levensgevaar bij voedselallergie.
Moet er niet meer informatie komen over allergie en voedselallergie op scholen ?
Is een presentatie over het gebruik van de EpiPen op scholen geen goed idee?

Allaert : Mijn ervaring leert me dat enerzijds informeren belangrijk is, anderzijds zijn we mensen van vlees en bloed en moet je net dìe mensen vinden die er met dezelfde zorgvuldigheid mee omgaan; ik heb ook leerkrachten gekend – en ook mensen op kamp bijvoorbeeld – die er fantastisch mee om gingen.
Het is ook een kwestie van verantwoordelijkheid; ze dienen zelf niet graag medicatie toe. We kregen in het begin van het schooljaar een brief van de school dat er geen medicijnen worden toegediend tenzij er een doktersbriefje voorgelegd wordt.
Ik vind het wel belangrijk dat de leerkrachten op de hoogte zijn dat er kàn gereageerd worden op voedsel. En als er zich iets voordoet, een vreemde reactie, ongeacht of dat nu een astmatische reactie is, of maag-darmreactie of wat dan ook, dat dit heel waarschijnlijk met die allergie te maken heeft.
Mijn zoon was onlangs op kamp en vertelde me dat er enkel choco met noten op tafel stond. Standaard word er dus choco mét noten aangeboden maar hoeveel kinderen in deze grote groep hebben niet een overgevoeligheid aan noten? Zet dan ook nog andere soort choco ter beschikking , zonder noten.

Stevens : Bij een secundaire hazelnootallergie ga je de hazelnoten in de choco verdragen, als je een primaire hazelnootallergie hebt, ga je ze niet verdragen. Dat is dus een duidelijke scheidingslijn. In geval van twijfel, mijden dus.
Het is zeer belangrijk om de mensen te informeren. Zeker op scholen waar men toch omgaat met kinderen, die net zo weerloos zijn. Het onderwijzend personeel zou bijna een verplichte opleiding moeten volgen zodat ze weten wat allergie is,
wat een voedselallergie is, wat een anafylactische shock is.

Allaert : Vorig jaar zat onze zoon in het eerste secundair, in de lagere school was het niet zo’n probleem om de leerkracht te informeren wat zijn allergie allemaal behelst, wat hij wel en niet mag. De derde week komt hij thuis met astma. Hij had de bordenwissers moeten uitkloppen. Omdat hij de juf nog niet goed kende, durfde hij niet te vertellen dat hij astma had. Het wordt toch vaak geïnterpreteerd als plantrekkerij. Maar in het algemeen merk ik dat er individueel heel vaak goede wil is, maar de kennis over wat allergie allemaal inhoudt, ontbreekt.
Stevens : Het is zoals bij kinderen met inspanningsastma; ze tonen een briefje dat ze niet mogen meelopen, of ze mogen niet gaan zwemmen door het chloor in het zwembad, welnu, dat vraagt veel moeite om de schoolgemeenschap te overtuigen dat dit ernstig is.
Het is zelfs zo dat bij een aantal patiënten zelf, het al moeilijk is uit te leggen wat ze hebben en wat ze moeten mijden.
Wat de EpiPen betreft vind ik dat mensen met een belangrijke voedselovergevoeligheid een adrenalinepen of een EpiPen bij de hand moeten hebben. Men moet hen, en tevens het onderwijzend personeel van scholen, de omstaanders, vrienden,…zoveel mogelijk informeren wat ze moeten doen in geval van, en hoe ze die moeten gebruiken of toedienen. Er zou een adrenalinepen thuis, en één op school moeten zijn . Het is zeker levensreddend voor 90 % van de ernstige gevallen en als ze overlijden in een anafylactische shock dan is dat meestal omdat er geen adrenaline is toegediend.
De adrenalinepen lost niet alles op in enkele minuten; men zal ook andere medicatie moeten toedienen maar het zijn die eerste seconden die tellen, als de bloeddruk in vrije val gaat, om die op te vangen en nadien te ondersteunen met andere medicatie. Tot voor kort was de EpiPen nog altijd niet terugbetaald, nu eindelijk wel maar dat heeft héél lang geduurd.

Allaert : Nu kan je een EpiPen op school laten en één thuis houden maar vroeger was dat 50 euro voor een pen en dat was toch erg duur , vooral omdat de houdbaarheid vrij kort is; ongeveer 9 maanden.

Stevens : Ja, maar in geval van nood is een vervallen EpiPen nog altijd beter dan niets. Die adrenaline blijft nog altijd een beetje werkzaam. Dit is geen pleidooi om vervallen pennen te gebruiken maar als je in nood zit en je hebt enkel een vervallen pen dan gebruik je ze best.

Hoe merk je precies dat je de EpiPen moet gebruiken?

Stevens : Er zijn verschillende reacties mogelijk: je kan ijl in je hoofd worden, angio-oedeem krijgen, netelkoorts of galbulten krijgen, draaierig worden, een astma-aanval krijgen, de neus die verstopt raakt, eventueel braken of diarree, een geheel van symptomen dus die zich progressief gaat ontwikkelen tot men flauwvalt en daarvoor moet er ingegrepen worden. Mensen die dat ooit hebben meegemaakt voelen dat aankomen en die kunnen op dat ogenblik ingrijpen. Ook vrienden en familie moeten geïnformeerd worden zodat ze weten wat hun te doen staat. Zoveel mogelijk informeren is absoluut noodzakelijk want het kan altijd gebeuren dat je zelf niet meer in staat bent het toe te dienen. En de beste plaats om toe te dienen is de bilspier; dat geeft de beste resorptie. Men kan desnoods door de kleren heen steken.

Onthutsend vind ik vooral het ongeloof en onbegrip tegenover mensen en ouders van kinderen met allergie dat in dit boek ook duidelijk beschreven staat. Hoe gaat u daar mee om ?

Allaert : We zijn er steeds heel rustig bij gebleven, we hebben iedereen telkens geïnformeerd. Af en toe heb je wel het gevoel dat mensen denken: daar zijn ze weer met hun allergie maar ik trek me daar niet teveel van aan. In de lagere school had de longarts een briefje geschreven dat onze zoon mocht thuisblijven als het echt niet ging. Nu, dat is zelden het geval geweest maar dat gaf ons een vrijgeleide; we moesten niet steeds naar de huisarts hollen om een briefje en zo wisten de school en de schooldirectie dat er een reëel probleem was.
Stevens : Een goede reactie: zo normaal mogelijk leven en niet teveel afschermen.

Op pagina 124 lezen we hoe Lander allergisch reageert op de geur van gebakken kabeljauw. Ik vond het hallucinant maar ook heel herkenbaar.
Mijn dochter, nu 13 jaar, heeft een vis- en notenallergie. De geur van vis alleen al geeft problemen. Een viertal jaar geleden stormde ze een restaurant uit omdat het er rook naar gebakken vis. Wat is er aan de hand met de geur van een allergeen?

Stevens : Geur bevat osmillen, kleine moleculen die het allergeen bevatten, en die kunnen, bij zeer gevoelige personen een allergische reactie uitlokken.

Wat vind u van de geurmarketingtrend: door bepaalde geuren mensen aanzetten tot kopen. Is dit niet erg gevaarlijk voor mensen met allergie?

Stevens : Als het een synthetische stof is, zal dat waarschijnlijk geen problemen geven. Voor geuren heb je 2 verschillende mechanismen: de eerste via die osmillen, de andere is een geurstof, bijvoorbeeld een sterke ledergeur, sigarettenrook of een parfum, dat gaat die niet-specifieke overprikkelbaarheid gaan prikkelen. Iedereen die allergisch is, heeft ook een niet-specifieke overprikkelbaarheid. Producten zoals boenwas, javel, ammoniak en het gechloreerde water in zwembaden kunnen een serieuze astma-aanval uitlokken. Zwemmen is heel goed voor mensen met astma maar het water waarin ze zwemmen is soms het probleem.
Geuren kunnen problemen geven en ik zie geen enkele reden om geuren te gaan produceren en overal te gaan rondspuiten. Ik sta daar zeker niet achter.

Er is in de media de laatste tijd veel te doen rond obesitas, een terecht probleem maar als we kijken naar de allergieproblematiek, waar uiteindelijk 1 op de 3 mensen last van heeft, dan zien we dat dit veel minder aandacht krijgt.
Moet er niet aan de bel getrokken worden bij Volksgezondheid? Kan men de mensen niet sensibiliseren met bijvoorbeeld campagnes op radio en tv?

Stevens : De overheid vindt dat er geen specifieke erkenning voor allergie moet zijn. We hebben jarenlang, met een aantal mensen brieven geschreven waarin we de problematiek aankaarten; echter zonder resultaat. De erkenning voor allergie wordt keer op keer geweigerd. De meeste mensen die allergie behandelen zijn eigenlijk ofwel internisten ofwel longartsen , of neus-, keel-, oorartsen, of dermatologen die een bijkomende vorming hebben gevolgd maar die niet specifiek in de allergie zijn opgeleid en dat is een probleem.
Een aantal jaren geleden hebben we 5000 schoolgaande kinderen en hun ouders ondervraagd. We vroegen hen of ze astma hadden, en hebben dat een beetje omschreven, hooikoorts – want rhinitis kent onze populatie niet-, frequente verkoudheden, frequente bronchitiden, valse kroep, of chronische neusklachten, alle ademhalingsklachten, atopisch eczeem. Op het moment van het onderzoek had ongeveer 16 % één van deze klachten, maar als je cumulatief – dus vanaf de geboorte tot op het ogenblik we de vragen stelden, en het waren kinderen tussen 6 en 18 jaar- dan was het ongeveer 32 %, dat is inderdaad 1 op 3. De ademhalingsklachten zijn de grootste brok, namelijk 27,6 % tegen het eczeem , 7,6 %.
Dat was een studie van een schoolpopulatie rond Antwerpen en dus niet representatief voor heel Vlaanderen maar het geeft toch een idee van hoe frequent de verschillende aandoeningen zijn. Een groot probleem is ook de definities. Hooikoorts bijvoorbeeld; iedereen die een neusklacht heeft gebruikt het woord hooikoorts maar hooikoorts is een heel specifieke vorm; dat is een graspollenovergevoeligheid.
Allaert : Eén van de redenen dat het vrij weinig aan bod komt op radionieuws en tv-journaal – ik spreek wel voor de VRT- is , omdat er zo weinig cijfermateriaal is en we een kader nodig hebben om nieuws te maken. Obesitas zit anders wel in de lift qua media-aandacht.

Stevens : Aan een mens die allergisch is, zie je niet veel -behoudens bij eczeem- die ziet er geheel ‘normaal‘ uit terwijl een obese persoon erg opvalt. Het gevaar is natuurlijk groter bij allergie, herinner je die zaak uit Canada, die jongeman die zijn vriendin kust waarna ze sterft want hij had pinda’s gegeten en ze had een pindaovergevoeligheid. Dat zijn extreme gevallen maar het komt voor.
Allaert : voedselallergieën geven een grotere druk naar de betrokkenen dan de andere allergieën want het is gevaarlijker. 20 jaar geleden had astma een zeer negatieve conotatie ; het was bijna een dodelijke aandoening, terwijl het nu, bij het strikt opvolgen met medicatie , het goed onder controle te houden is.
Stevens : Vroeger was het zo: iemand had een astma-aanval , nam medicatie en stopte daarna. Het heeft veel tijd gekost om de mensen duidelijk te maken dat het een continue behandeling is. Je kan het enigszins vergelijken met suikerziekte ; je behandelt het continu en niet alleen als de persoon in coma is, je gaat nu voorkomen dat men in coma geraakt. Astma is hetzelfde; ook als je je goed voelt is een onderhoudsbehandeling nodig en die kan afgebouwd worden naargelang de toestand beter is. Voorkomen is beter dan genezen.

Het tweede hoofdstuk gaat over atopisch eczeem. Kenmerkend bij eczeem is
de hevige jeuk die met niets te vergelijken is. Hoe werkt dat jeukmechanisme eigenlijk?

Stevens : Jeuk is een bijna essentiële eigenschap van eczeem maar helaas is het zo dat de wegen, of de zenuwvezels, die jeuk volgen heel slecht gekend zijn…Sommigen zeggen dat er aparte, gespecialiseerde jeukvezels zijn, anderen menen dat het via de pijnvezels meegaat naar de hersenen. Wat helpt tegen jeuk is centraal werkende medicatie, zoals de antihistaminica. Die gaan in de hersenen op de plaats zitten waar de histamine eigenlijk zou moeten gaan zitten. Doordat de plaats bezet is kan de histamine zijn boodschap (jeuk) niet overbrengen. De nieuwere antihistaminica werken minder centraal en dus minder op de jeuk. Bij jeuk geven vooral de oudere antihistaminica het beste resultaat.
Cortisone is geen jeukwerend middel; het helpt vooral om eczeemletsels te doen verdwijnen; zo gaat de jeuk secundair ook verdwijnen. Antihistaminezalf daarentegen wordt niet aangeraden; ten eerste omdat die weinig geresorbeerd wordt en ten tweede omdat er een contactovergevoeligheid kan ontstaan.

In welke mate is (negatieve) stress een mogelijke trigger voor allergie?

Stevens : Voor allergie zelf denk ik niet, maar wel voor wat allergie geassocieerd is, en zeker in het geval van astma. Astma is eigenlijk een overprikkelbaarheid van de luchtwegen zodat die gaan samentrekken. De prikkels die dat uitlokken zijn velerlei; allergische prikkels, emotie, stress, inspanning,… na heftig lachen kan iemand met astma een astma-aanval krijgen en dat heeft met allergie niks te maken.
Allaert : ik heb toch ondervonden dat onze zoon telkens in de tweede week van het schooljaar astma krijgt. Stress en vermoeidheid spelen bij hem een rol.
Stevens : de mastcellen worden ook bezenuwd, er komen prikkels, we hebben ons ortho-sympatisch zenuwstelsel en het is perfect verklaarbaar hoe stress ons fysisch negatief kan beïnvloeden.
Ik vergelijk het dikwijs met een emmer die stilaan volloopt en dan overloopt. Wat de laatste druppel ook is, stress, vermoeidheid, inspanning,…als hij vol is loopt hij over en bij mensen met allergie is de emmer al goed gevuld.

Wat mogen we verwachten van de medische wetenschap in de nabije toekomst?

Stevens : Qua diagnose denk ik dat we er nog op vooruit zullen gaan; er worden meer en meer allergenen ter beschikking gesteld. Qua therapie ben ik iets minder enthousiast omdat er de laatste 20 jaar heel weinig is veranderd en er zit weinig in de pipeline….en wat de hyposensibilisatie of anti-IgE-behandeling betreft is er weinig of geen vooruitgang ( dit is een levensreddende therapie voor mensen die overgevoelig zijn aan wespen- of bijensteken , met 99 % efficiëntie, voor astma en rhinitis is dat veel minder: 55 % en voor eczeem doet het eigenlijk niks).
Men zou meer op de basis van de overgevoeligheid moeten kunnen ingrijpen; waarom maakt iemand IgE tegen een bepaalde stof aan en hoe kunnen we dat ombuigen? Dat is natuurlijk erg complex maar de immunologie zou daar verder in moeten gaan om dan relatief specifiek dìe cellen te kunnen gaan onderdrukken. Het ontwikkelen van een nieuw medicijn is uitermate duur. Vroeger kon je nog snel nieuwe medicatie op de markt brengen. Dat is nu niet meer mogelijk, nu is de regelgeving erg strikt, het beperkt de ontwikkeling enerzijds, maar verhoogt anderzijds de veiligheid.

Hartelijk dank voor dit gesprek !
Anna Dops

Meer interviewfragmenten:

Geef een reactie